VB 25002 - Inbreng van gronden in een vennootschap gevolgd door de schenking van de aandelen van de vennootschap met voorbehoud van vruchtgebruik
- Nummer
25002
- Datum beslissing
24 februari 2025
- Publicatiedatum
28 maart 2025
Heffing
- Schenkbelasting
Wettelijke basis
- art. 2.8.4.1.1. VCF
- art. 3.17.0.0.2. VCF
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt er toe bevestiging te krijgen dat de inbreng in een vennootschap door een Vlaamse rijksinwoner van onroerende goederen gelegen in het Vlaams Gewest en die niet geheel of gedeeltelijk voor bewoning zijn bestemd in een naamloze vennootschap, gevolgd door een schenking van de aandelen (die de inbrenger n.a.v. de inbreng heeft verkregen) van voormelde vennootschap aan de kinderen van de inbrenger:
- niet leidt tot de heffing van verkoopbelasting;
- niet leidt tot de heffing van schenkbelasting o.g.v. artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF, maar wel o.g.v. artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF;
- geen fiscaal misbruik is o.g.v. artikel 3.17.0.0.2 juncto artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF.
2. De aanvragers wensen, met betrekking tot de voorgenomen rechtshandelingen (inbreng onroerende goederen in vennootschap, gevolgd door een schenking van de aandelen) zekerheid over de fiscale behandeling ervan alvorens deze rechtshandelingen worden gesteld.
Meer bepaald:
- wenst NV X (hier vertegenwoordigd door bestuurder mevrouw Y) de zekerheid te verkrijgen dat er geen verkoopbelasting zal worden gevestigd naar aanleiding van de inbreng van onroerende goederen in de vennootschap (geen toepassing van artikelen 2.9.1.0.1 en 2.9.1.0.3 VCF);
- wensen mevrouw A en de heer B de zekerheid te verkrijgen dat de schenking van aandelen (die mevrouw Y, in ruil voor voormelde inbreng in NV X zal verkrijgen) door hun moeder, mevrouw Y, als een schenking van roerende goederen zal worden gekwalificeerd (toepassing artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF, geen toepassing artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF);
- wensen de aanvragers de bevestiging te krijgen dat de voorgenomen rechtshandelingen, samen of afzonderlijk, geen fiscaal misbruik vormen (geen frustratie van de hiervoor vermelde bepalingen).
II. Omschrijving van de verrichting(en)
II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen
3. De aanvraag wordt ingediend door meesters […], namens:
3.1. NV X (met ondernemingsnummer […], met zetel te […], opgericht blijkens akte dd. xx.xx.1995, gepubliceerd in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van xx.xx.1995 onder nummer […], waarvan de statuten laatst zijn gewijzigd op xx.xx.2023 bij akte verleden voor notaris […] te […], gepubliceerd in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van xx.xx.2023 onder nummer […]), hier vertegenwoordigd door bestuurder, mevrouw Y;
3.2. mevrouw Y (rijksregisternummer […], wonende te […] en sedert meer dan 5 jaar wonende in het Vlaams Gewest);
3.3. mevrouw A (rijksregisternummer […], wonende te […] en sedert meer dan 5 jaar wonende in het Vlaams Gewest), dochter van mevrouw Y voornoemd;
3.4. de heer B (rijksregisternummer […], wonende te […] en sedert meer dan 5 jaar wonende in het Vlaams Gewest), zoon van mevrouw Y voornoemd.
II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)
4. Mevrouw Y is gehuwd op xx.xx.1975 onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (stuk 1 bij de aanvraag). Dit stelsel is tot op heden niet gewijzigd.
Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, mevrouw A en de heer B.
5. Mevrouw Y is 100% eigenaar in volle eigendom van de volgende onroerende goederen:
5.1. Een blok industriegrond (exclusief de hierop aanwezige constructies) te […], kadastraal gekend als […];
5.2. Een perceel industriegrond te […], kadastraal gekend als […];
5.3. Een perceel industriegrond (exclusief het hierop aanwezige industriegebouw) te […], kadastraal gekend als […];
5.4. Een perceel industriegrond (exclusief het hierop aanwezige industriegebouw) te […], kadastraal gekend als […];
5.5. Een perceel industriegrond (exclusief het hierop aanwezige industriegebouw) te […], kadastraal gekend als […];
5.6. Een perceel industriegrond (exclusief het hierop aanwezige industriegebouw) te […], kadastraal gekend als […].
De hiervoor vermelde industriegronden worden samen ook de “privé-gronden” genoemd.
De constructies op de privé-gronden behoren toe aan NV Z ([…]) ingevolge opstalrechten. De aandeelhouders van NV Z zijn NV X, mevrouw Y, mevrouw A en de heer B.
De privé-gronden zijn geen onroerende goederen die gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of voor bewoning bestemd zijn. Het betreft dus een inbreng voor zakelijk gebruik.
De inbreng wordt integraal vergoed door toekenning van maatschappelijke rechten.
Er worden geen schulden ingebracht en er is geen sprake van een gemengde inbreng.
De privé-gronden zullen tegen hun werkelijke waarde worden ingebracht.
6. Mevrouw Y wenst de privé-gronden in te brengen in de NV X.
De aandelen van deze vennootschap (226 in totaal) behoorden sinds xx.xx.2011 en tot voor kort toe aan:
- mevrouw Y: 224 aandelen in volle eigendom;
- mevrouw A: 1 aandeel in volle eigendom;
- de heer B: 1 aandeel in volle eigendom.
Ingevolge een schenking op xx.xx.2024 is de aandelenverhouding gewijzigd als volgt:
- mevrouw Y: 224 aandelen in vruchtgebruik;
- mevrouw A: 1 aandeel in volle eigendom en 112 aandelen in blote eigendom;
- de heer B: 1 aandeel in volle eigendom en 112 aandelen in blote eigendom.
Het merendeel van de aandelen is dus reeds in handen van de twee kinderen van mevrouw Y.
7. In ruil voor de inbreng in NV X, zal de vennootschap (nieuwe) aandelen uitgeven aan mevrouw Y.
Voormelde inbreng zal gebeuren via een authentieke akte verleden voor een Belgische notaris en op dezelfde dag als de inbreng of op korte termijn na de inbreng.
Het is niet de bedoeling om de ingebrachte onroerende goederen, noch op korte, noch op middellange termijn uit de vennootschap te halen in het voordeel van de aandeelhouders (kapitaalvermindering, dividenduitkering, of anderszins). Het is ook niet de bedoeling om de ingebrachte onroerende goederen, noch op korte, noch op middellange termijn te verkopen aan één van de aandeelhouders. Het is zelfs niet de bedoeling om de ingebrachte onroerende goederen, noch op korte, noch op middellange termijn te vervreemden aan derden.
Integendeel, het is net de bedoeling van de aanvragers om door de inbreng en de daaropvolgende gemoduleerde schenking van de (nieuw uitgegeven) aandelen vennootschap X, de privé-gronden, evenals de nieuw uitgegeven aandelen, ook op lange termijn binnen de groepsstructuur en binnen de familie te behouden.
8. Vervolgens wenst mevrouw Y de door haar verkregen nieuwe aandelen in NV X met voorbehoud van vruchtgebruik te schenken aan haar kinderen, mevrouw A en de heer B, ieder voor een gelijk deel en met een beding van fideicommissum de residuo.
Om het familiaal vermogen globaal in stand te houden, zal als last van deze schenking aan de begiftigden/kinderen een (tijdelijk) vervreemdingsverbod worden opgelegd, in die zin dat zij moeten garanderen dat de betrokken vennootschappen de aangehouden onroerende goederen niet verkopen en ook dat zijzelf de aandelen niet zullen vervreemden, behoudens in geval van gezamenlijk akkoord.
De schenking zal gebeuren voor een Belgische notaris.
III. Motivering van de aanvraag
9. De aanvragers willen er vooraf op wijzen dat NV X reeds eigenaar is van:
9.1. Een perceel industriegrond te […], kadastraal gekend als […] (100% volle eigendom);
9.2. Industriegebouwen te […], kadastraal gekend als […] (68% volle eigendom).
Deze onroerende goederen van NV X zijn vlak naast de privé-gronden gelegen zoals blijkt uit het plan (stuk 2 bij de aanvraag).
Het is de bedoeling om al deze industriegronden, die een geheel vormen, in dezelfde vennootschap onder te brengen.
De onroerende goederen van NV X en de privé-gronden van mevrouw Y hebben dezelfde aard (industriegronden) en vormen samen een uniek geheel van industriegronden op een uitermate strategische locatie:
• […]
Gelet op de locatie en de aard en de omvang van de privé-gronden zijn kandidaat-kopers steeds rechtspersonen. Hoewel mevrouw Y niet de intentie heeft om de privé-gronden op korte termijn te verkopen (aangezien zij ervan overtuigd is dat de waarde zal stijgen in het volgende decennium), stelt zij wel vast dat voor kandidaat-kopers het feit dat de privé-gronden aan een natuurlijke persoon toebehoren, een element is dat verkoopprijzen negatief beïnvloedt. Indien de privé-gronden aan een vennootschap zouden toebehoren, zijn kandidaat-kopers immers bereid meer te betalen omdat zij dan via een eenvoudige en snelle aandelenoverdracht (indirect, via het aandeelhouderschap) de privé-gronden zouden kunnen verkrijgen. Het voorgaande kan in hoofde van kandidaat-kopers misschien (gedeeltelijk) een fiscaal motief zijn, in hoofde van de aanvragers is het een louter commercieel motief, nl. het verkrijgen van de hoogst mogelijke prijs voor de privé-gronden bij een verkoop.
Door de privé-gronden in te brengen in een vennootschap (nl. NV X) en zo overdrachten in de toekomst via aandelentransacties te kunnen realiseren, wordt bovendien ook tegemoet gekomen aan een tweede belangrijke verzuchting van kandidaat-kopers, nl. het ontwijken van het voorkooprecht van het Vlaams extern verzelfstandigd agentschap, NV De Vlaamse Waterweg, op de privé-gronden.
Terwijl dit voorkooprecht initieel beperkt leek te zijn tot een deel van de privé-gronden, hebben de aanvragers vastgesteld dat het voorkooprecht van NV De Vlaamse Waterweg de totaliteit van de privé-gronden betreft. De aanvragers verwijzen naar de correspondentie die hun raadsman met NV De Vlaamse Waterweg heeft gevoerd (stuk 3 bij de aanvraag) en waaruit is gebleken dat de privé-gronden integraal bezwaard zijn met het voorkooprecht.
Dit voorkooprecht (en vooral de procedure die voor enkele maanden vertraging kan zorgen in een verkoopproces) is bijzonder nefast. Kandidaat kopers dienen immers de middelen die zij voorzien voor een aankoop langer vrij te houden, tot er duidelijkheid is over de uitoefening van het voorkooprecht. Bovendien is algemeen geweten dat een voorkooprecht potentiële kopers afschrikt, wat dan weer een nadelige invloed heeft op de mogelijk te behalen verkoopprijs.
Het voorkooprecht van NV De Vlaamse Waterweg geldt echter slechts bij een verkoop van de privé-gronden als zodanig, niet bij een inbreng in een vennootschap en evenmin bij een overdracht van aandelen van een vennootschap waartoe de privé-gronden zouden behoren.
Gelet op het feit dat de privé-gronden dezelfde aard hebben (industriegronden) én geografisch een geheel vormen met de onroerende goederen van NV X, kunnen al deze goederen na de voorgenomen inbreng centraal worden beheerd. NV X kan zo ten volle inzetten op de verdere ontwikkeling van de vastgoedsite, met het oog op de commercialisering ervan in de toekomst.
10. Door de privé-gronden in te brengen in een vennootschap zullen ook alle inkomsten die mevrouw Y op heden geniet (o.m. als opstalhouder) toekomen aan NV X. Uiteraard zijn dan ook alle kosten omtrent de privé-gronden voor NV X. Ten slotte zijn alle schulden van NV X verhaalbaar op de privé-gronden. De in te brengen privé-gronden worden zo integraal onderworpen aan het ondernemingsrisico.
Uit al het voorgaande blijkt dat het duidelijk de bedoeling van de inbrenger/schenker is om de in te brengen onroerende goederen te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en dat het niet de bedoeling is de onroerende goederen te schenken aan de begunstigden van de aandelen.
De meerwaarden van de onroerende goederen (privé-gronden) zullen bovendien zwaarder belast worden in de vennootschap.
11. Door de in ruil gekregen aandelen te schenken aan haar kinderen, zij het met voorbehoud van vruchtgebruik, wenst mevrouw Y haar kinderen verder nauwer te betrekken bij het beheer van de privé-gronden en de ontwikkeling van de vastgoedsite in de toekomst. Gelet op haar gevorderde leeftijd (76 jaar) wenst zij niet langer alleen in te staan voor dit beheer en deze ontwikkeling. De inbreng en de schenking geven aan de kinderen de mogelijkheid om inspraak te hebben, wat zij niet hebben indien de gronden privé-gronden blijven die uitsluitend en in volle eigendom aan mevrouw Y behoren.
12. De hiernavolgende motieven hebben eveneens meegespeeld:
12.1. de in te brengen privé-gronden zullen niet het grootste bestanddeel uitmaken van het actief van de NV X;
12.2. de bedoeling om een patrimonium binnen de familie te houden;
12.3. de verrichting is niet ingegeven met de bedoeling om de ingebrachte onroerende goederen op korte of middellange termijn uit de vennootschap te halen in het voordeel van de aandeelhouders (bv. kapitaalvermindering, dividenduitkering) of om ze te vervreemden aan derden;
12.4. de in te brengen privé-gronden hebben, gelet op hun nabijheid, een strategisch belang voor de industriegrond die reeds aan de NV X toebehoren;
12.5. vereenvoudiging eigendomsstructuur: alle onroerende goederen die samen de bedrijfssite vormen, en alleen deze, worden ingebracht wat een meer logische structuur tot stand brengt;
12.6. centralisatie van het beheer: de ganse bedrijfssite wordt beheerd door één (rechts-)persoon;
12.7 één en ander is een garantie voor het verzekeren van de toekomst van de industriële site;
12.8. de verzekering dat de in te brengen industriegrond, samen met de overige industriegronden die door de NV X worden aangehouden op langere termijn samenblijven zodat dit ook ten goede komt van de kleinkinderen en desgevallend volgende generaties van de inbrenger/schenker;
12.9. het is niet de bedoeling om de privé-grond louter te schenken (“platte vermogensoverdracht”) aan de kinderen, maar om toe te laten dat de volledige site als één geheel kan blijven voortbestaan, en daardoor in waarde toeneemt;
12.10 het voorkomen, voor de in te brengen industriegrond, net als voor de reeds bestaande industriegronden van de NV X, van en gedwongen uitonverdeeldheidtreding of snelle of gedwongen verkoop of een versnippering;
12.11. de bedoeling dat de privé-grond wordt onderworpen aan het ondernemingsrisico en blijvend binnen de vennootschap wordt aangehouden.
13. De aanvragers verwijzen ook naar het arrest van het Hof van beroep te Gent van 17 december 2019 (2018/AR/1356), waar de volgende overwegingen hebben meegespeeld:
• De vennootschap A is opgericht in 2006 en heeft onder meer in eigen naam of in naam van derden de handel in en het beheer van onroerende goederen als maatschappelijk doel;
• Ten tijde van de inbreng begin 2013 van de onroerende goederen waren de ouders van belastingplichtige (D) geconfronteerd met zware gezondheidsproblemen en voelden zich niet langer geschikt voor het persoonlijk beheer van hun onroerend goed patrimonium;
• Gezien de ouders voor hun levensonderhoud grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten uit onroerende goederen, en het persoonlijk beheer van het onroerend patrimonium niet langer een optie was, werd gekozen voor een meer professioneel beheer in het kader van een vennootschap, die daartoe was voorbestemd. Door de inbreng van alleen de verhuurde goederen wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds de in de vennootschap ingebrachte en professioneel beheerde onroerende goederen en anderzijds de (niet ingebrachte en niet geschonken) privé aangehouden onroerende goederen, die een relatief omvangrijke waarde vertegenwoordigen (de eigen woning, een hoeve en een kasteel);
• De beperking van de risico’s en aansprakelijkheid met betrekking tot het beheer van het verhuurde patrimonium. Belastingplichtige (D) werd als bediende door de vennootschap A tewerkgesteld;
• Het beheer van de verhuurde onroerende goederen via een vennootschap stimuleert renovaties en investeringen omdat die fiscaal aftrekbaar zijn (ten bedrage van de werkelijke kosten ervan);
• Gezien de gezondheidstoestand van de ouders (B en C) van belastingplichtige (D) opteerden zij voor een vorm van familiale opvolging van hun enige dochter door middel van schenking van hun aandelen onder last van levensonderhoud en een beding van fideï-commis de residuo.
14. Besluit
Uit al het voorgaande blijkt dat de aanvragers bewijzen dat de keuze voor de voorgenomen rechtshandeling door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van registratierechten.
De voornoemde redenen en motieven tonen voldoende aan dat de keuze voor de geviseerde rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de registratiebelasting. Daaraan doet geen afbreuk de argumentatie dat bepaalde gewenste gevolgen van de verrichtingen ook op een andere wijze konden worden bereikt. Zo kan de inbreng van de verhuurde (handels)panden met het oog op een professioneel beheer en het faciliteren van het rendement van investeringen met een beperking van het persoonlijk risico, zowel objectief als subjectief een gegronde niet fiscale motivering zijn om de verrichting uit te voeren. Het subjectief element van het exclusief fiscaal opzet is niet aanwezig waardoor het fiscaal misbruik niet kan worden aangenomen.
Gelet op het voorgaande, verzoeken de aanvragers te bevestigen dat:
- de inbreng van de privé-gronden door mevrouw Y in NV X in ruil voor aandelen, niet leidt tot de toepassing van de artikelen 2.9.1.0.1 en 2.9.1.0.3 VCF;
- de schenking van (de ten gevolge van de inbreng verkregen) aandelen in NV X door mevrouw Y niet leidt tot de toepassing van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF (wel artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF);
- de voorgenomen rechtshandelingen geen fiscaal misbruik vormen (geen frustratie van de hiervoor vermelde bepalingen).
IV. Beslissing
Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
15. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
16. Volgende artikelen van de VCF worden onderzocht:
- Artikel 2.9.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:
“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”;
- Artikel 2.9.1.0.3 VCF, dat luidt als volgt:
“Met behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.”;
- Artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, dat luidt als volgt:
Ҥ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I
verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 3 | - |
150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
450.000,01 | 27 | 49.500 |
TABEL II
tarief tussen alle andere personen | |||
gedeelte van de schenking |
| ||
A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
Vanaf | tot en met |
|
|
0,01 | 150.000 | 10 | - |
150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
450.000,01 | 40 | 95.000 |
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;
- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
17. Indien de inbreng van de onroerende goederen uitsluitend wordt vergoed door maatschappelijke rechten zal het verkooprecht overeenkomstig artikel 2.9.1.0.3 VCF niet worden geheven.
18. Op de daaropvolgende schenking met voorbehoud van vruchtgebruik van de in ruil voor de inbreng van de onroerende goederen verkregen aandelen zal de schenkbelasting overeenkomstig art. 2.8.4.1.1, §2, VCF worden geheven.
19. Indien de rechtshandelingen worden gesteld vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen.
Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrengster/schenkster om de ingebrachte onroerende goederen te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is de onroerende goederen te schenken aan de begunstigden van de aandelen.
De inbreng, gevolgd door de schenking van de aandelen van de vennootschap verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de partijen aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn. Dit in tegenstelling tot een schenking van de onroerende goederen zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.
Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van het onroerende goederen in de vennootschap door mevrouw Y, gevolgd door een schenking van de aandelen van de vennootschap met voorbehoud van vruchtgebruik aan haar kinderen, mede gelet op de niet-fiscale motieven, geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.
Het besluit dat de voorgenomen verrichting niet geviseerd wordt door artikel 3.17.0.0.2 VCF, blijft slechts gelden voor zover noch de onroerende goederen binnen een korte termijn door de vennootschap worden verveemd, noch de aandelen van de vennootschap worden verkocht aan derden.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.