Gedaan met laden. U bevindt zich op: VB 25001 - Inbreng in gemeenschappelijk vermogen gevolgd door een schenking aan de kinderen Vlaamse Belastingdienst

VB 25001 - Inbreng in gemeenschappelijk vermogen gevolgd door een schenking aan de kinderen

Voorafgaande beslissing
Nummer

25001

Datum beslissing

24 februari 2025

Publicatiedatum

1 april 2025

Heffing

  • Schenkbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.8.4.1.1. VCF
  • art. 3.17.0.0.2. VCF
  • art. 2.8.3.0.1. VCF

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe bevestiging te krijgen dat de inbreng in de huwelijksgemeenschap X-Y van het hierna vermelde onroerend goed, gevolgd door de schenking door beide echtgenoten van het hierna vermelde onroerend goed aan de begiftigde kinderen niet zal worden beschouwd als fiscaal misbruik overeenkomstig artikel 3.17.0.0.2 VCF en het goed door beide echtgenoten kan worden geschonken aan het tarief van 3% schenkingsbelasting (heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF).

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door notarissen […], namens:

2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.1963, nationaalnummer […] en zijn echtgenote,

2.2. Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1961, nationaalnummer […],

samenwonende te […].

3. De betrokken partijen zijn:

3.1. De heer A, geboren te […] op xx.xx.1990, nationaalnummer […], wonende te […].

3.2. Mevrouw B, geboren te […] op xx.xx.1995, nationaalnummer […], wonende te […].

4. Het betrokken onroerend goed is:

STAD […], zesde afdeling:

Een woon/handelshuis op en met grond en aanhorigheden, gelegen […], gekadastreerd - sectie G, nummer […], groot éénendertig are zesenzestig centiare (31a 66ca)

- sectie G, nummer […], groot één are zesentwintig centiare (1a 26ca).

PRO FISCO WAARDE (volle eigendom) : vijfhonderdduizend euro (500.000,00€)

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. Wettelijke bepalingen waarop de beslissing moet slaan:

  • Artikel 2.8.3.0.1., §1, VCF:

Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.”;

  • Artikel 2.8.4.1.1 VCF:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :

TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500

….

§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

“;

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden
.”.

6. Omschrijving van de verrichting

6.1. De echtgenoten X-Y hebben twee kinderen, de heer A en mevrouw B.

6.2. Het betrokken onroerend goed behoort op heden voor het geheel in volle eigendom toe aan de gemeenschap X-Y, om het verkregen te hebben als volgt:

  • de helft ingevolge de inbreng door de heer X in de huwgemeenschap bij akte wijziging huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2019.

De heer X heeft deze helft verkregen:

* Deels ingevolge nalatenschap van zijn moeder, mevrouw […]

* Deels ingevolge akte deling verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1997

  • de helft ingevolge akte deling verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2019 waarbij de huwgemeenschap de helft overnam van mevrouw C.

Naast de inbreng van de helft van het onroerend goed door de heer X, werd in de akte wijziging huwelijkscontract dd xx.xx.2019 ook een inbreng gedaan door mevrouw Y van eigen gelden ten bedrage van 110.000€ voor de betaling van de opleg aan mevrouw C.

III. Motivering van de aanvraag

7. De helft van het goed werd ingebracht door de heer X, als tegenprestatie ter verwezenlijking van het evenwicht tussen partijen bracht mevrouw Y een bedrag van 110.000€ in.

De andere helft werd verkregen door de huwgemeenschap X-Y met gemeenschappelijke gelden (ingebracht door mevrouw Y).

De inbreng van (de helft) van het goed dateert van xx.xx.2019 (bijna 6 jaar geleden) en had tot doel de overname van de andere helft mogelijk te maken, gezien mevrouw Y gelijktijdig eigen gelden heeft ingebracht voor de betaling van de opleg.

De inbreng had aldus niet tot doel om belastingen te besparen bij een eventuele latere schenking aan de kinderen (geen eenheid van opzet).

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

8. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

9. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

  • Artikel 2.8.3.0.1, §1, VCF dat luidt als volgt:

§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.”;

  • Artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen:
TABEL I

verkrijging in rechte lijn en tussen partners

gedeelte van de schenking

A
schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

3

-

150.000,01

250.000

9

4500

250.000,01

450.000

18

13.500

450.000,01

27

49.500


TABEL II

tarief tussen alle andere personen

gedeelte van de schenking

A schijf in euro

tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %

totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro

Vanaf

tot en met

0,01

150.000

10

-

150.000,01

250.000

20

15.000

250.000,01

450.000

30

35.000

450.000,01

40

95.000


§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt:
1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
”;

  • Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
”.

10. In de omzendbrief VLABEL/2015/1 van 16 februari 2015(PDF bestand opent in nieuw venster) worden volgende rechtshandelingen als fiscaal misbruik beschouwd, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven:

“Inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten (gaat in tegen de heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF).

Er kan worden vermoed dat de inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten aan bv. hun enig kind enkel gebeurt om de progressiviteit van de schenkbelasting te ontwijken; dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing de enige beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling. Degelijke constructie gaat in tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Er is bijgevolg sprake van fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking, verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van hogere schenkbelastingen.

Indien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient de schenkbelasting te worden geheven alsof de inbreng niet had plaatsgevonden, m.a.w. berekening van de schenkbelasting op de schenking door de inbrengende echtgenoot aan het kind voor de geheelheid van het goed.”.

11. Het onder punt 4 vermelde onroerende goed werd voor de helft door de heer X ingebracht in de huwgemeenschap bij akte van wijziging huwcontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2019. Als tegenprestatie ter verwezenlijking van het evenwicht tussen partijen bracht mevrouw Y een bedrag van 110.000€ in.

De andere helft werd verkregen door de huwgemeenschap X-Y met gemeenschappelijke gelden bij akte deling verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.2019.

12. Gelet op de feitenconstellatie en de tijdspanne tussen de inbreng van het onroerend goed vermeld onder punt 4 en de voorgenomen schenking beslist het besluitvormingsorgaan dat de anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet moet worden toegepast.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.