Gedaan met laden. U bevindt zich op: Herroeping ‘schenking’ - schenking wordt niet vermoed - geen bewijs dat gelden zouden moeten teruggegeven worden aan de langstlevende echtgenote - lening (hoofdelijkheid en ondeelbaar) deels aanvaard als passief - schulden aan particulieren niet bewezen Vlaamse Belastingdienst

Herroeping ‘schenking’ - schenking wordt niet vermoed - geen bewijs dat gelden zouden moeten teruggegeven worden aan de langstlevende echtgenote - lening (hoofdelijkheid en ondeelbaar) deels aanvaard als passief - schulden aan particulieren niet bewezen

Rechtspraak
Nummer

22/2992/A

Datum beslissing

13 januari 2025

Publicatiedatum

11 maart 2025

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Definitief

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.3.4.1. VCF

Samenvatting

Erflater overlijdt op 1 april 2021. Hij laat zijn vrouw (waarmee hij gehuwd was onder scheiding van goederen op 5 juni 1986) en zijn twee kinderen na.

Op 18 oktober 2021 herroept de langstlevende echtgenote onder andere een ‘schenking’ van de volle eigendom van een geldsom van 10.290.410 EUR. Dit bedrag zou het aandeel geweest zijn van de langstlevende echtgenote in de prijs die werd overeengekomen wanneer de NV S op 4 maart 2005 werd verkocht. De erflater was op dat ogenblik eigenaar van 99,5 aandelen en de langstlevende echtgenote was eigenaar van 192,5 aandelen. De verkoopprijs bedroeg 15.650.000 EUR en werd integraal gestort op het rekeningnummer van de erflater. Zijn echtgenote heeft de erflater niet verzocht haar aandeel in de verkoopprijs door te storten.

Op 30 november 2021 dienen de langstlevende echtgenote en de twee kinderen gezamenlijk een aangifte in. Daarin werden een groot aantal schulden opgelijst (t.b.v. 19.443.845,83 EUR waaronder een schuld aan de langstlevende echtgenoot ingevolge de herroeping).

Gezien Vlabel noch rekening hield met bovenvermelde ‘herroeping van de schenking’ noch met een aantal andere passiefposten werd er een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank.

Vonnis:

De schuld aan de langstlevende voor een bedrag van 10.290.410 EUR (herroeping ‘schenking’):

Dat de langstlevende echtgenote haar echtgenoot niet zou hebben verzocht over te gaan tot een doorstorting van het bedrag dat aan haar toekwam op een bankrekening op haar eigen naam zou volgens belastingplichtigen impliceren dat er sprake is van een ‘schenking’. Deze zienswijze wordt niet gedeeld door de rechtbank. De rechtbank stelt dat bij een schenking principieel een notariële akte vereist is opdat er sprake zou zijn van een rechtsgeldige schenking. De formele wil, de animus donandi, tot schenking wordt niet vermoed, doch dient door de belastingplichtige te worden bewezen. Belastingplichtigen dienen aldus aannemelijk te maken dat een intentie van vrijgevigheid aanwezig is.

De rechtbank is van oordeel dat zolang de kwalificatie van een schenking niet afdoende is bewezen er over deze kwalificatie twijfel kan bestaan. Zelfs vrijgevigheid dient te worden bewezen.

Voor de rechtbank is de formele wil tot schenking, noch de intentie van vrijgevigheid niet afdoende bewezen door belastingplichtigen. Des te meer daar de voorgaande schenkingen van de langstlevende echtgenote wel degelijk in een notariële akte zijn opgenomen. Trouwens deze omvangrijke vermogenstransfer kan ook een andere oorzaak hebben (dan een schenking) zodat er wel degelijk twijfel bestaat over de kwalificatie van deze rechtshandeling.

Dat deze gelden zouden moeten teruggegeven worden aan de langstlevende echtgenote wordt niet afdoende aannemelijk gemaakt, het blijft bij loutere beweringen.

De schuld ten aanzien van de bank voor een bedrag van 4.188.324,87 EUR.

Belastingplichtigen stellen dat dit passief moet aanvaard worden gezien een vonnis van 15 februari 2021 stelt dat NV S en de erflater hoofdelijk werden veroordeeld tot het betalen van een schuld voor een bedrag van 2.486.551,42 EUR. In hoger beroep werd bij arrest van 8 juni 2023 gesteld dat de NV S nog bijkomende bedragen was verschuldigd en dat deze veroordeling ten laste van NV S hoofdelijk en ondeelbaar rusten op de nalatenschap van de erflater en dat zijn erfgenamen slechts gehouden zijn tot belope van het bedrag van de waarde van de goederen die zij verkrijgen uit de nalatenschap.

De rechtbank is van oordeel dat de nalatenschap van erflater wel degelijk gehouden is tot de schulden van de NV S én dit hoofdelijk en ondeelbaar.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de erflater samen met een derde (zijnde NV S) hoofdelijk gehouden is tot betaling van een schuld, de schuld ten belope van de helft wordt aanvaard als een aftrekbaar passief in de nalatenschap. Bovendien bewijzen belastingplichtigen dat zij op 23 mei 2022 een betaling gedaan hebben aan de schuldeiser (bank) voor een bedrag van 2.200.000 EUR. Door de nalatenschap van de erflater is aldus 2.200.000 EUR betaald aan de bank.

De rechtbank besluit dan ook dat de schuld voor een bedrag van 2.200.000 EUR dient opgenomen te worden in het passief van de nalatenschap van de erflater.

De schuld aan M.D.

De erflater en zijn langstlevende echtgenote zijn een lening aangegaan voor 378.380 EUR bij de heer M.D. Zij worden samen aangemerkt als ‘de ontlener’ en hebben zich solidair en ondeelbaar verbonden tot alle verplichtingen in de akte bepaald. De rechtbank stelt vast dat het geleende geld blijkbaar de optelsom zou zijn van ‘eerder verstrekte leningen verhoogd met de daarop verschuldigde intresten en verhoogd met een recente bijkomende lening van honderdduizend euro’. De terugbetalingstermijn van de lening betreft zes maanden nadat ze werd aangegaan. Het ontleende bedrag moest zijn terugbetaald op 5 december 2020. De rechtbank stelt vast dat belastingplichtigen geen afdoende bewijs voorleggen van de bedragen die effectief zijn overgemaakt door de ontleners. De rechtbank blijft ook in het ongewisse over welke bedragen het zou gaan en of het wel leningen zijn, en bijvoorbeeld geen loutere overschrijvingen met een begiftigingsoogmerk. Eerdere leningsovereenkomsten liggen niet voor. Belastingplichtigen bewijzen ook niet dat de bedragen op het ogenblik van het overlijden nog niet zijn terugbetaald. De rechtbank is van oordeel dat belastingplichtigen de echtheid van de schuld alsook het bestaan ervan op de datum van het overlijden van de erflater moeten bewijzen. De rechtbank besluit dat een vaststaande schuld op datum van het overlijden (overeenkomstig art. 2.7.3.4.1 VCF) niet afdoende bewezen is.

De schuld aan T.H.

Belastingplichtigen werpen op dat zij in de aangifte van de erflater een schuld ten belope van 450.000 EUR hebben vermeld aan de heer T.H.

Als bijlage wordt een overschrijvingsbewijs voorgelegd waaruit blijkt dat op 30 maart 2012 de erflater 300.000 EUR heeft ontvangen, met de mededeling ‘lening 6 maanden’. Daarnaast is er ook een verklaring van de heer T.H. en zijn echtgenote waaruit blijkt dat er intresten verschuldigd zijn wegens gebrek aan terugbetaling waardoor de totale schuld 450.000 EUR bedraagt.

De rechtbank stelt dat belastingplichtigen geen geschrift voorleggen (overeenkomstig 8.21 of 8.1,7° Nieuw Burgerlijk Wetboek). Belastingplichtigen zouden moeten bewijzen dat 1/ de gelden effectief werden overgemaakt 2/ de gelden werden overgemaakt onder de verplichting om deze terug te betalen 3/ de erflater de verbintenis op zich heeft genomen de hem ter beschikking gestelde gelden terug te betalen.

De rechtbank stelt dat de belastingplichtigen falen in hun bewijslast. Geen enkel geschrift ligt voor waaruit blijkt dat de erflater de schulden moet terugbetalen zodat de lening niet afdoende is bewezen. Het blijft bij loutere beweringen.

De schuld ten aanzien van NV I.

Belastingplichtigen hebben in de aangifte van nalatenschap een schuld in de rekening-courant van de erflater van 1.002.855,20 EUR aan NV I vermeld. Deze werd door Vlabel verworpen. De rechtbank blijft in het ongewisse of deze schuld in rekening-courant aan de NV I. ten laste komt van de erfgenamen. Een begin van bewijs zou er bijvoorbeeld kunnen in bestaan dat een schriftelijke overeenkomst voorligt welke zou bepalen wat de rechtsgevolgen zijn bij het overlijden van de bestuurder. Belastingplichtigen laten na het bewijs te leveren dat zij effectief werden aangesproken ter voldoening van de schuld.