Gedaan met laden. U bevindt zich op: Familiale vennootschap - handelsactiviteit en reële economische activiteit: twee onderscheiden voorwaarden - holding - intragroepsdiensten niet bewezen - vastgoedvennootschap (dochter) geen reële economische activiteit Vlaamse Belastingdienst

Familiale vennootschap - handelsactiviteit en reële economische activiteit: twee onderscheiden voorwaarden - holding - intragroepsdiensten niet bewezen - vastgoedvennootschap (dochter) geen reële economische activiteit

Rechtspraak
Nummer

23/178/A

Datum beslissing

4 december 2024

Publicatiedatum

11 maart 2025

Rechtbank

Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent

Status

Definitief

Heffing

  • Erfbelasting

Wettelijke basis

  • art. 2.7.4.2.2, §2, 2°, eerste lid VCF
  • art. 2.7.4.2.2, §2, 2°, derde lid VCF

Samenvatting

P.L. is samen met zijn zus D.L de drijvende kracht achter de industriële wasserij en strijkcentrale die een 20-tal werknemers tewerkstelt;

Daartoe bezitten ze elk 50% aandelen van de vennootschap S.

Vennootschap S bezit op haar beurt 93,33% van de aandelen van de dochtermaatschappij D en 100% van de aandelen van de dochtermaatschappij V.

De dochtermaatschappij D exploiteert de industriële wasserij en strijkcentrale en dochtervennootschap V exploiteert vastgoed door terbeschikkingstelling ervan derden.

P.L overlijdt op 28 maart 2021 en laat als erfgenamen zijn langstlevende echtgenote en hun twee kinderen na (belastingplichtigen in dit geschil).

In de aangifte van nalatenschap wordt verlaagd tarief familiale vennootschap gevraagd voor de totale waarde van de aandelen vennootschap S. Belastingplichtigen zetten uiteen dat vennootschap S een ‘familiale vennootschap’ is met een eigen economische activiteit (een zogenaamde actieve holdingvennootschap) zodat de volledige waarde volgens hen in aanmerking komt voor verlaagd tarief.

In de aanslagbiljetten werd slechts een beperkt gedeelde van de waarde van de aandelen vennootschap S onderworpen aan het verlaagd tarief. Na een negatieve bezwaarbeslissing dienden belastingplichtigen een verzoekschrift in bij rechtbank.

Beoordeling

Uit artikel 2.7.4.2.2. VCF volgt dat de verlaging van het tarief van de erfbelasting tot 3% bij overdracht van aandelen van een familiale vennootschap afhankelijk is van de volgende drie cumulatieve voorwaarden:

  1. voldoening van de participatievoorwaarde in hoofde van de erflater;
  2. de vennootschap dient de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts­, of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot voorwerp te hebben en uit te oefenen, dan wel minstens 30 % van de aandelen houden van minstens een directe dochtervennootschap die aan deze voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (= de ‘handelsactiviteitsvoorwaarde’);
  3. aanwezigheid van een reële economische activiteit in hoofde van de vennootschap.

Over het vervuld zijn van de participatievoorwaarde is er geen discussie tussen partijen.

De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de vraag of voldaan is aan de handelsactiviteitsvoorwaarde en de voorwaarde van een reële economische activiteit, zulks in hooforde in hoofde van de holdingvennootschap S, en in ondergeschikte orde in hoofde van de dochtervennootschap V.

Het gaat wel degelijk om twee onderscheiden voorwaarden (cf. Gent 1 oktober 2024, 2023/AR/302).

De rechtbank zal hierna onderzoeken of in casu aan deze voorwaarden voldaan is

1/ in hoofde van de holdingsvennootschap S

lntragroepsdiensten kunnen maatschappelijk relevant zijn wanneer de dochtervennootschappen in werkelijkheid niet beschikken over de vereiste expertise, zodat de ‘intragroepsdiensten’ een meerwaarde genereren.

Vlabel stelt met reden dat belastingplichtigen niet aantonen dat de vennootschap S voldoet aan de handelsactiviteitsvoorwaarde en de voorwaarde van een reële economische activiteit.

Belastingplichtigen bewijzen niet dat de beweerde geleverde diensten kwalificeren als een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, noch bewijzen zij dat deze diensten werkelijk werden uitgeoefend. Het louter voorleggen van facturen en de eigen boekhouding bewijst niet dat de beweerdelijk vergoede prestaties effectief werden uitgeoefend.

Daarnaast tonen belastingplichtigen niet aan, zelfs al zouden zij bewijzen dat de intragroepsdiensten beantwoorden aan een reële activiteit, dat deze diensten een maatschappelijke meerwaarde genereren voor de dochtervennootschap D.

Vervolgens leveren belastingplichtigen evenmin afdoende bewijs van de beweerde periodieke diensten aan de Franse, niet-verbonden onderneming T.

Op grond van het voorgaande besluit de rechtbank dat de holding S niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.7.4.2.2, §2, 2°, eerste en derde lid VCF.

2/ in ondergeschikte orde: in hoofde van de dochtervennootschap V bv

In ondergeschikte orde argumenteren belastingplichtigen dat de toepassing van het verlaagde tarief ten onrechte beperkt werd tot de waarde van de aandelen van de dochtervennootschap D. Volgens belastingplichtigen moet ook de waarde van de aandelen van de dochtervennootschap V in aanmerking worden genomen bij de toepassing van het verlaagde tarief. Ze voeren aan dat V op professionele wijze vastgoed exploiteert door de terbeschikkingstelling ervan aan diverse partijen. De vennootschap V zou diverse projecten gerealiseerd hebben die zij verhuurt en/of ter beschikking stelt aan derden. Daarnaast heeft de vennootschap volgens belastingplichtigen nog bouwgronden en een woonuitbreidingsgebied in portefeuille.

De rechtbank volgt het standpunt van belastingplichtigen ook op dit punt niet.

Waar de decreetgever geen enkele nadere bepaling voorziet voor de definitie of omschrijving van het begrip ‘een reële economische activiteit’, moet dat begrip in zijn gewone betekenis worden opgevat en uitgelegd. Er is geen enkele reden om vastgoedactiviteiten in principe uit te sluiten van het begrip ‘reële economische activiteit’. Met ‘nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwbedrijven’ worden bedoeld, ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen, zonder uitsluiting van de ondernemingen die vastgoedactiviteiten ontwikkelen, behalve wanneer zij enkel tot doel hebben de eenvoudige verkrijging en het in bezit houden van vastgoed (zie ook Cas. 15 oktober 1998, AR C.95.0282.N, www.juportal.be). Aldus, indien de vastgoedactiviteiten voor de vennootschap een reële economische activiteit uitmaken, in de zin dat ze op duurzame wijze een maatschappelijke meerwaarde genereren en het louter passief beheer van onroerend goed overstijgen, maken deze vastgoedactiviteiten een reële economische activiteit uit, zoals vereist door de decreetgever. Het spreekt voor zich dat aan deze voorwaarde voldaan moet zijn op het ogenblik van het overlijden, zijnde de datum waarop getoetst moet worden of aan de voorwaarden voor toepassing van het gunstregime is voldaan. (vgl. Hof Gent 19 november 2024, 2023/AR/712, niet gepubliceerd).

Belastingplichtigen dienen aan te tonen dat de vennootschap V op het ogenblik van overlijden van de erflater op 28 maart 2021 een ‘reële economische activiteit’ had.

Vlabel stelt met reden dat belastingplichtigen dit bewijs niet leveren.

Ze brengen geen overtuigende stukken bij om hun beweringen te onderbouwen. Ze beperken zich tot een algemene opsomming van de beweerdelijk gevoerde activiteiten maar verduidelijken niet waarom zij menen dat die activiteiten kwalificeren als activiteiten die een maatschappelijke meerwaarde genereren en dus een economische finaliteit hebben, noch dat deze het louter passief beheer overstijgen, noch dat deze worden uitgeoefend.

De rechtbank besluit dat belastingplichtigen niet afdoende aantonen dat vennootschap V op het ogenblik van het overlijden van de erflater een reële economische activiteit had en voldeed aan de activiteitsvoorwaarde opgenomen in artikel 2.7.4.2.2,§2, 2°, eerste lid VCF.

De vordering van belastingplichtigen in ondergeschikte orde kan evenmin worden ingewilligd