Gedaan met laden. U bevindt zich op: Bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit Inkomen en armoede

Bevolking in een huishouden met zeer lage werkintensiteit

Gepubliceerd op 25 februari 2025 • Volgende update: maart 2026
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden
Inhoud is aan het laden

Volgens de EU-SILC-enquête van 2024 leefde 6,9% van de bevolking tot en met 64 jaar van het Vlaamse Gewest in een huishouden met zeer lage . Dat komt overeen met ongeveer 350.000 personen. Het gaat om huishoudens waar door de volwassenen niet of slechts beperkt wordt gewerkt op de arbeidsmarkt.

Bovenstaande indicator voor lage werkintensiteit werd uitgewerkt in het kader van de opvolging van de Europa 2030-strategie en wijkt licht af van de indicator die vroeger werd gebruikt in het kader van de opvolging van de Europa 2020-strategie. Bij de bepaling van de werkintensiteit van een huishouden werd de afbakening van de actieve bevolking uitgebreid van 59 jaar naar 64 jaar. Beide indicatoren geven nauwelijks verschillende resultaten.

De EU-SILC-enquête werd in 2019 ingrijpend vernieuwd. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het maken van vergelijkingen met de resultaten van voorgaande jaren. Wel kan gesteld worden dat het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit in de meest recente jaren lager ligt dan in de periode 2011-2016.

Ruim helft werklozen leeft in huishouden met zeer lage werkintensiteit

Naar geslacht is er nauwelijks verschil op vlak van zeer lage werkintensiteit, naar leeftijd is dat er wel. Het aandeel personen in een huishouden met lage werkintensiteit liep in 2024 op tot 14% in de oudste leeftijdsgroep (50- tot 64-jarigen), en ligt daarmee boven het aandeel in de jongere leeftijdsgroepen.

Opgedeeld naar huishoudtype lag het aandeel in zeer lage werkintensiteit in 2024 het hoogst bij alleenstaanden (23%) en eenoudergezinnen (18%).

Naar arbeidsstatus is het hoogste aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit te vinden bij werklozen (53%). Bij niet-actieven (buiten gepensioneerden) ging het om 26%.

Het aandeel in zeer lage werkintensiteit ligt veel hoger bij huurders (18%) dan bij eigenaars (4%).

Het aandeel in zeer lage werkintensiteit daalt naarmate het opleidingsniveau stijgt: bij de laaggeschoolden ging het in 2024 om 20%, bij de hooggeschoolden om 4%.

Ten slotte varieert het aandeel personen ook sterk naar geboorteland. Bij personen geboren in België ging het in 2024 om 6%, bij personen geboren buiten de EU om 17%.

Aandeel in zeer lage werkintensiteit hoogst in provincie Oost-Vlaanderen

Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2024 het hoogst in de provincie Oost-Vlaanderen (9%) en het laagst in Vlaams-Brabant (5,5%).

Aandeel met zeer lage werkintensiteit in Vlaams Gewest lager dan in andere gewesten en EU27-gemiddelde

Het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit lag in 2023 in het Vlaamse Gewest (6%) lager dan in het Waalse Gewest (17%) en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (18%). In België in zijn geheel lag dat aandeel op 11%.

In de 27 landen van de Europese Unie (EU27) lag het aandeel in zeer lage werkintensiteit in 2023 op 8% van de bevolking. In verschillende Oost-Europese landen en in een aantal Baltische staten lag dat aandeel onder het EU27-gemiddelde. In België lag het aandeel met 11% het hoogst.

Cijfers voor 2024 zijn nog niet voor alle EU-landen beschikbaar. Maar voor België en de gewesten is dat wel het geval. In 2024 lag het aandeel personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit in het Vlaamse Gewest op 7%. In het Waalse Gewest lag dat aandeel op 16% en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op 20%. In België in zijn geheel ging het om 11%.