Gedaan met laden. U bevindt zich op: Metadata: Online aankopen door burgers voor privégebruik Online aankopen door burgers voor privégebruik

Metadata: Online aankopen door burgers voor privégebruik

Bron

Enquête ICT- en internetgebruik bij huishoudens, Statbel, Eurostat, bewerking Statistiek Vlaanderen

Definities

In de enquête wordt online aankopen (e-commerce) als volgt gedefinieerd: aankopen of bestellingen van goederen en diensten via een website of via een app voor privégebruik, inclusief de eventuele aankopen op internetveilingen zoals eBay, bijvoorbeeld van films, muziek, boeken, software en hardware, huishoudgoederen, kleding, voeding, aandelen, obligaties, dienstencheques, concert- en toneeltickets, …

Het maakt niet uit via welk apparaat (vaste of draagbare computer, tablet, gsm, smartphone, pda, ...) deze aankopen of bestellingen gebeuren. De bestelling komt enkel in aanmerking als men zelf de bestelling geplaatst heeft, ook als men dat deed voor iemand anders. Of de betaling van de goederen of diensten via een website of via een app gebeurt of niet, is niet van belang. Bestellingen of aankopen via e-mail, sms of mms komen niet in aanmerking, evenmin alles wat gratis is (bijvoorbeeld gratis software (freeware), bestanden die men gratis downloadt, reserveringen in restaurants en dergelijke) of bestellingen of aankopen voor professioneel gebruik.

De vraag uit de enquête is:

“Wanneer kocht of bestelde u voor het laatst via een website of via een app goederen of diensten voor privégebruik? De besteldatum geldt als referentie. Financiële diensten i.v.m. verzekeringen, aandelen, leningen, enz. horen hier niet toe.

  • Tijdens de laatste drie maanden
  • Tussen drie maanden en een jaar geleden
  • Meer dan een jaar geleden
  • Ik heb nog nooit iets via internet gekocht of besteld

Het onderwijsniveau is gebaseerd op de internationaal erkende ISCED-indeling (International Standard Classification of Education). Laaggeschoolden zijn diegenen die ofwel geen diploma hebben ofwel ten hoogste een diploma van lager secundair onderwijs (eerste graad) (ISCED 0-2). Middengeschoolden hebben als hoogste diploma een diploma van hoger secundair of “postsecundair” (niet hoger) onderwijs (ISCED 3-4). Hooggeschoolden hebben een diploma hoger onderwijs (ISCED 5-8).

Het equivalent inkomen is een maatstaf voor het inkomen van een huishouden die rekening houdt met de verschillen in de grootte en samenstelling van een huishouden, en wordt dus gelijkgesteld of gelijkwaardig gemaakt voor alle groottes en samenstellingen van huishoudens. Het equivalent inkomen wordt berekend door het totale inkomen van het huishouden uit alle bronnen te delen door de equivalente grootte, berekend met behulp van de gewijzigde OESO-equivalentieschaal. Deze schaal kent een gewicht toe aan alle leden van het huishouden:
• 1,0 voor de eerste volwassene;
• 0,5 voor de tweede en elke volgende persoon van 14 jaar en ouder;
• 0,3 voor elk kind jonger dan 14 jaar.
De equivalente grootte is de som van de gewichten van alle leden van een bepaald huishouden.

Op basis van het equivalent inkomen kunnen de huishoudens gerangschikt worden van laag naar hoog en opgedeeld worden in 5 kwintielen of groepen. De inkomensklassen die hier gebruikt werden om de 5 kwintielen af te bakenen zijn berekend door Statbel en gebaseerd op de EU-SILC-enquête van 2024.

Opmerkingen bij de kwaliteit

De enquête over ICT- en internetgebruik bij huishoudens en individuen (ICT-enquête bij huishoudens en individuen) is een jaarlijks door Eurostat gecoördineerde bevraging in de lidstaten van de Europese Unie. Voor de organisatie van de bevraging en voor de verwerking van de Belgische cijfers is het Belgische statistiekbureau Statbel (Statistics Belgium) verantwoordelijk.

De steekproef van de ICT-enquête bij huishoudens en individuen is in België een deelsteekproef van de enquête naar de arbeidskrachten (EAK). Het leeftijdsbereik bij EAK is 15 tot 89 jaar. Dus door uitbreiding van de ICT-enquête in 2024 met de 75- tot en met de 89-jarigen vallen beide steekproeven zo goed als samen. Na het afnemen van de enquête naar de arbeidskrachten vraagt de interviewer of de laatst verjaarde persoon van het huishouden van minstens 16 jaar en tot 89 jaar zelfstandig de ICT-enquête wil invullen.

Sinds 2009 worden er 2 methodes van dataverzameling gebruikt: CAWI (Computer Assisted Web Interviewing) via een webapplicatie en SAPQ (Self Administered Paper Questionnaire) via een papieren formulier. Vóór 2009 werd de enquête mondeling afgenomen door een enquêteur. Er is een rappel met een nieuwe vragenlijst voorzien als het huishouden na 14 dagen nog niet heeft geantwoord.

De huishoudens die voor de ICT-enquête in aanmerking komen, zijn sinds de enquête van 2024 de privéhuishoudens met ten minste één persoon in de leeftijdsrange van 16 tot en met 89 jaar. Tot en met de enquête van 2023 betrof het de leeftijdsrange van 16 tot en met 74 jaar.

Vóór de hervorming van de EAK in 2017 volstond het tweede kwartaal om voldoende huishoudens te hebben en liep het veldwerk van april tot eind augustus. Van 2017 tot 2020 betreft het de huishoudens die voor het eerste of tweede trimester deelnamen aan de doorlopende enquête naar de arbeidskrachten. Het veldwerk liep van januari tot eind augustus. Sinds 2021 werd besloten om een extra kwartaal van de arbeidskrachtenenquête op te nemen om de lagere respons op te vangen. Zo kregen de huishoudens die deelnamen aan de arbeidskrachtenenquête in het vierde kwartaal van het voorafgaande jaar (2023) en in het eerste en tweede kwartaal van het betreffende jaar (2024) een uitnodiging om deel te nemen aan de ICT-enquête 2024.

Na validatie bleven bij de editie van 2024 7.023 huishoudens over. Dat is 54,2% van de huishoudens die aan de enquête naar de arbeidskrachten 2024 deelgenomen hebben en op basis van het vermelde leeftijdscriterium in aanmerking kwamen voor de ICT-enquête bij huishoudens en individuen, en 35,0% van de initiële brutosteekproef van de enquête naar de arbeidskrachten 2024 met uitsluiting van de huishoudens waarbij niet voldaan is aan bovenstaand leeftijdscriterium. De 7.023 huishoudens, die de nettosteekproef vormen, zijn als volgt over de 3 gewesten verdeeld: 805 uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, 3.859 uit het Vlaamse Gewest en 2.359 uit het Waalse Gewest.